De bruiloft, de Bruidegom en de genodigden (1)

3 november 2025

Een bruiloft is altijd een feestelijke aangelegenheid. Het markeert het moment waarop bruid en bruidegom voor altijd aan elkaar verbonden zullen zijn. Zo spreekt de Bijbel ook over de bruiloft van het Lam.

Voor veel christenen hebben de woorden ‘de bruiloft van het Lam’ de betekenis van uitzien naar het feest, vol verwachting hopen op een spoedige komst van Jezus. Want als Jezus komt zal die bruiloft van het Lam gevierd worden. En het is prachtig als mensen daarop wachten, daarnaar uitzien.

Maar andere christenen kijken heel anders naar die bruiloft, naar het moment wanneer die bruiloft zal plaatsvinden, of zelfs naar de plek waar dat feest gevierd zal worden. En dat heeft alles te maken met hoe je de betreffende Bijbelse teksten interpreteert.

Laten we eens naar die bruiloft gaan kijken, en vooral ook naar de Bruidegom.

De Bruiloft en de Bruidegom

Als het gaat over een bruiloft, dan moeten er ook een bruid en een bruidegom zijn. Dat is vandaag zo, maar dat was ook in Bijbelse tijden al zo. Toch gaat het in de vertellingen van Jezus vrijwel nooit over een bruid. Hij heeft het alleen over een bruidegom. Kijk maar eens naar de gelijkenis van Jezus over een koning die gasten uitnodigt voor de bruiloft van zijn zoon, of de gelijkenis van de tien meisjes die wachten op de bruidegom. Maar ook bij de bruiloft in het stadje Kana gaat het alleen over een bruidegom.

Tegelijk tekent Jezus in alles wat Hij daarover zegt zichzelf duidelijk als de Bruidegom. In Marcus 2 zegt Hij het zo:

Marcus 2:18-20 De leerlingen van Johannes en de farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen mensen naar Jezus toe, die Hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’ Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.

Mensen stelden Jezus de vraag waarom zijn leerlingen niet hoefden te vasten. In Israël was het de gewoonte voor leerlingen van de godsdienstleraren, de farizeeën of rabbi’s in die tijd, regelmatig te vasten. Ook de leerlingen van Johannes de Doper bleken regelmatig te vasten. Men vond het vreemd dat de leerlingen van Jezus dat kennelijk niet hoefden.
Vervolgens geeft Jezus als antwoord dat Hij zijn leerlingen ziet als ‘bruiloftsgasten’ en zichzelf als de Bruidegom. En zolang die Bruidegom er nog is wordt er natuurlijk niet gevast, zeker niet door zijn vrienden. Want eigenlijk is het juist feest en mag er royaal gegeten worden!

Maar wie is dan de bruid?

Al in het Oude Testament laat God de Heer zien dat Hij het volk Israël eigenlijk ziet als zijn bruid, zijn vrouw. In Jeremia 2 vertelt God hoe Hij Israël als zijn bruid zag, toen Hij haar uit Egypte haalde. Later, tijdens de tocht van Israël door de woestijn, sloten God en Israël een verbond, waarbij zowel God als Israël toestemden in hun ‘huwelijk’. Maar al snel overtrad Israël de afspraken, waarna God het volk beschuldigde van overspel. Daarover kun je lezen in Jeremia 3.
Ook profeten als Hosea en Jesaja tekenen de relatie tussen God en het volk Israël als een huwelijk.

Hetzelfde gebeurt in het Nieuwe Testament, maar dan tussen Jezus en de gemeente, of de kerk. Het wordt daar niet zo letterlijk benoemd, maar uit alles kun je merken dat gelovige christenen gezien worden als de bruid van Jezus. Zo vergelijkt ook de apostel Paulus in Efeziërs 5 de relatie tussen Jezus en zijn kerk met een huwelijk.

De bruid en de losprijs in het traditionele Joodse huwelijk

Uit de manier waarop het Nieuwe Testament spreekt over Jezus en de relatie met zijn volgelingen, merk je dat dit overeen komt met een traditioneel Joods huwelijksritueel. In zo’n traditioneel huwelijk betalen de ouders van de bruidegom een bruidsschat, meestal een geldbedrag, de ‘losprijs’. In het geval van Jezus en zijn Vader heeft de Vader zelfs het leven van Jezus gegeven als losprijs voor zijn gemeente. Jezus stond na zijn dood weer op uit het graf en werd weer de Bruidegom. Maar met zijn bloed, zijn dood, betaalde Hij de bruidsschat voor zijn volgelingen, zijn gemeente, en kocht Hij hen vrij uit hun sterfelijke aardse bestaan.

Door de losprijs, die Jezus betaalde, maken we als christenen allemaal deel uit van de bruid. Door te vertrouwen op die losprijs mogen we straks in de hemel schitterende kleren aantrekken. Jezus vertelt daar via Johannes al iets over:

Openbaring 19:7-8  Laten we blij zijn en jubelen, laten we Hem de eer geven! Want de bruiloft van het lam is gekomen en zijn bruid staat klaar. Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen.’ Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen.

Jezus vergelijkt hier de stralend witte kleren van de bruid met al het goede dat gelovige christenen gedaan hebben. Zo vergelijkt Jezus zijn bruid met de ‘heiligen’, zijn gemeente. Die bruid bestaat dus uit ontelbaar veel mensen. Daarbij gaat het niet alleen om de gelovige christenen die vandaag leven, maar ook om al die christenen die vele eeuwen door in vertrouwen op God en Jezus gestorven zijn.

De bruiloft en de ontbrekende bruid

Jezus vertelde vaak gelijkenissen. Zo vertelde Hij ook over een koning, die als vader voor zijn zoon een bruiloft organiseerde. In deze gelijkenis wordt nergens gesproken over de bruid, alleen over de bruiloft en de bruidegom. Maar het gaat in deze gelijkenis vooral om de mensen die uitgenodigd zijn:

Matteüs 22:1-3 Daarop vertelde Jezus hun opnieuw een gelijkenis: ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft bijeen te roepen, maar die wilden niet komen.

Vervolgens vertelde Jezus over andere dienaren die er bij de genodigden op aan moesten dringen, want alles stond klaar voor de bruiloft. Maar zij bleven weigeren om naar de bruiloft van de bruidegom van de koningszoon, hun toekomstige koning, te komen. Ze mishandelden en doodden zelfs de dienaren van de koning.
Dan zegt Jezus de volgende profetische woorden:

Matteüs 22:7 De koning ontstak in woede en stuurde zijn troepen eropaf, hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.

De koning neemt kennelijk geen halve maatregelen. Vervolgens roept hij opnieuw zijn dienaren, nu om andere gasten uit te nodigen:

Matteüs 22:8-10  “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de genodigden waren het niet waard. Ga daarom naar de toegangswegen van de stad en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt.” De dienaren gingen de straat op en brachten alle mensen die ze tegenkwamen bijeen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd.

Omdat de oorspronkelijke genodigden weigerden naar de bruiloft van de zoon van de koning te komen, ging die uitnodiging naar anderen. Dat zijn de mensen van de toegangswegen. Eigenlijk zijn het de uitvalswegen of kruispunten buiten de stad.

Wie is die koning, de bruidegom en wie zijn de genodigden?

Jezus vertelde dit verhaal als een gelijkenis met een diepere betekenis. Hij had er een bedoeling mee, om zijn toehoorders, en ook ons, iets te vertellen over ‘het koninkrijk van de hemel’, zoals Matteüs dat noemt. Dat betekent dat het gaat om de mensen die deel uitmaken van Gods koninkrijk, om mensen die een relatie hebben met de koning, dat wil zeggen met God of met Jezus zelf.

Die koning in de gelijkenis staat dan ook voor God zelf. De bruidegom is zijn zoon. Dat kan dan alleen maar Jezus zijn. De genodigden die weigerden te komen is het volk Israël. Zij waren uitgenodigd om bij God te horen. Maar naar Gods dienaren, de profeten, weigerden zij te luisteren. Vaak werden die profeten miskend, mishandeld en soms zelfs gedood. Later, toen Jezus daadwerkelijk gekomen is, hebben zij ook nog Gods uitnodiging afgewezen om zijn Zoon aan te nemen als de al in het Oude Testament beloofde Messias. De Joden wisten dat die Messias komen zou. Maar toen Jezus kwam, voldeed Hij niet aan hun idee van die messias. Ze wezen Hem af, ook omdat Jezus hun Bijbelleraren steeds weer liet zien hoe weinig ze eigenlijk van de Bijbel begrepen hadden. Want ze beseften niet dat het in de Bijbel niet gaat om regeltjes, maar om relatie…

Die eerste genodigden woonden in ‘de stad’, dat staat voor het land Israël. Jezus zei dat de koning de stad na hun weigering in brand stak. Dat is letterlijk uitgekomen in 70 nC en nogmaals, dan defnitief, in 135 nC, beide keren door de Romeinen. Velen zijn toen gedood, vele anderen verkocht of uit het land gevlucht. De profetische uitspraak van Jezus in deze gelijkenis is letterlijk uitgekomen!

De uitnodiging aan de andere mensen

Nadat Israël de uitnodiging tot de bruiloft van de Zoon van de Koning had afgewezen is die uitnodiging de wereld in gegaan. Jezus spreekt over de uitvalswegen of kruispunten buiten de stad, buiten Israël. Via die wegen is het evangelie verder gegaan, de wereld in, tot in alle uithoeken van de wereld toe. Daarover kunnen we lezen in het Bijbelboek Handelingen, en ook de vele brieven tonen dit aan. Vandaag zijn er zo’n 2 miljard christenen, overal op de wereld!

Tegelijk is de uitnodiging in de gelijkenis van Jezus niet speciaal aan al die christenen gericht, maar juist aan hen die Jezus nog niet kennen. En is ook gericht aan christenen die nog niet beseffen dat er een bruiloft in de hemel op hen wacht. Want dat er een bruiloft wacht laat vooral het Bijbelboek Openbaring zien. We zagen al dat Jezus in Openbaring 19 spreekt over de bruiloft van het lam. Hij is dat lam, het Lam dat naar de slachtbank is geleid voor wat zijn volgelingen allemaal verkeerd gedaan hebben. Hij is op die manier de losprijs geworden, de bruidsschat, om zijn bruid van de aarde te kunnen loskopen.

Die bruid, dat is de kerk, de gemeente van Christus. In de gelijkenis van de koning en zijn zoon zijn dat de mensen die van alle kruispunten in de wereld zijn uitgenodigd om te komen, en die aan die uitnodiging gehoor hebben gegeven. De mensen in de bruiloftszaal zijn zij die geloven in God, in Jezus, in zijn offer voor hun zonden. Al die mensen samen, die hele grote gemeente van Christus, is de bruid, een bruid in schitterende witte kleren. Al die mensen die in Jezus’ verhaal naar de bruiloft kwamen, de feestgangers, samen zij zijn de bruid. Daarom wordt in de gelijkenis de bruid niet genoemd.

De gelijkenis gaat nog verder…

Jezus was hier nog niet klaar met zijn gelijkenis. Er volgt nog een waarschuwing om niet al te lichtzinnig met God, met Jezus en met de Bijbel om te gaan. Daarover gaat het in het volgende artikel.

In het derde artikel gaan we ook kijken naar hoe Jezus in andere Bijbelgedeelten vertelt over de bruiloft, de bruid en de genodigden.


Op de hoogte blijven van nieuwe artikelen?
Meld je dan aan voor de nieuwsbrief!