16 december 2025
Toen Johannes de Doper op het goddelijke toneel verscheen, deed hij wat zijn opdracht was. Hij moest de mensen in Israël vertellen dat de tijd van hun beloofde Messias was aangebroken. Dat stond immers al in het Oude Testament. Daarom riep hij de mensen op om zich van hun zonden, hun misstappen, te laten reinigen. Hij riep hen op om terug te keren naar God, naar de Bijbel, om zich te ‘bekeren’. Als de mensen dat deden konden ze zich door Johannes in de rivier laten dopen. Dat was het teken dat hun zonden met het water weggespoeld zouden zijn.
Johannes de Doper, de bruid en de Bruidegom
Ook Jezus kwam bij Johannes en vroeg Johannes of hij Hem wilde dopen. Maar Johannes wist wie Jezus was en dat Hij helemaal geen doop nodig had. Toch wilde Jezus dat Johannes Hem zou dopen.
Nadat Johannes Hem gedoopt had, ging ook Jezus mensen dopen die in Hem geloofden en zijn volgelingen werden. Omdat Jezus veel meer volgelingen kreeg dan Johannes, vroegen de mensen aan hem of hij dat niet vervelend vond. Hoe Johannes de Doper daarop antwoordde kunnen we lezen in Joh.3.
Johannes 3:27-29 Johannes antwoordde: ‘Een mens kan alleen ontvangen wat hem door de hemel gegeven wordt. Jullie kunnen van mij getuigen dat ik gezegd heb: “Ik ben de messias niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden.” De bruidegom krijgt de bruid; de vriend van de bruidegom staat te luisteren en is blij als hij de stem van de bruidegom hoort. Zo vergaat het ook mij: mijn vreugde is volkomen.
Johannes de Doper was niet jaloers op Jezus, die veel meer mensen doopte dan hij. Johannes besefte wel dat ook hem alleen toekwam wat God hem toebedeelde. En daar kon hij kennelijk prima mee leven. Dat Jezus veel meer mensen doopte, en meer volgelingen kreeg, zag hij als iets dat Jezus van God kreeg. Dat bevestigde Johannes de Doper zelf ook nog in vers 30, waar staat: ‘Hij (Jezus) moet groter worden en ik kleiner’. Op die manier erkende Johannes dat God dit zo wilde. En daar kon hij alleen maar blij om zijn.
Johannes zei tegen de mensen dat hij ‘voor Jezus uit gezonden is’. Hij was als het ware de heraut die de komst van de Koning aankondigde, hij was de wegbereider. Hij zei er gelijk bij dat hij niet de Messias was, de koning die komen zou. Kennelijk waren er mensen die dat dachten.
Johannes ziet Jezus als de Bruidegom
Dan heeft Johannes het ineens over de bruid en de bruidegom. Hij zag Jezus kennelijk als een bruidegom, zelfs de bruidegom, anders zou hij dat niet zo gezegd hebben. Maar wie was dan de bruid?
De vraag van de mensen aan Johannes ging over ‘volgelingen’. Terwijl Jezus steeds meer volgelingen kreeg, nam het aantal bij Johannes juist af. Mensen liepen over naar Jezus, en Johannes was er nog blij om ook. Wellicht had hij het liefst gezien dat alle mensen die hij gedoopt had naar Jezus zouden gaan en Zijn volgelingen zouden worden.
Zo tekent Johannes Jezus als de Bruidegom en zijn steeds groter wordende groep volgelingen als de bruid. Die volgelingen van Jezus zijn uiteindelijk uitgegroeid tot de kerk, de gemeente van gelovige christenen. Zij zijn de bruid en Jezus is de Bruidegom. Ook volgens Johannes de Doper.
Maar de volgelingen van Jezus, die Johannes aanduidt als ‘de bruid’, dat waren toen nog allemaal Joden. Het evangelie was helemaal nog niet de wereld in gegaan. Dat zou pas zo’n 3 jaar later gaan gebeuren.
Toch noemde Johannes al die Joodse volgelingen de bruid van Bruidegom Jezus. Er zijn veel Bijbelleraren die zeggen dat Joden geen deel uitmaken van de bruid, dat zij juist als de vrienden van de Bruidegom gezien moeten worden. Maar Johannes de Doper zegt hier toch duidelijk wat anders…
De vriend van de bruidegom
De vriend van de bruidegom staat te luisteren. Blijkbaar is er naast de bruid en de bruidegom nog een derde partij in beeld: de vriend van de bruidegom. Wie is dan die vriend?
Uit wat Johannes zegt kunnen we opmaken dat hij zichzelf ziet als vriend van de bruidegom, van Jezus. Toch weet hij wellicht beter wie Jezus is dan menige van Jezus’ volgelingen, die Johannes als de bruid van Jezus ziet.
Johannes de Doper gebruikt hier het Griekse woord ‘filos’ voor vriend. Filos betekent eigenlijk een vriend waarmee je een warme relatie hebt, een boezemvriend die je heel goed kent. Ook Jezus gebruikte dat woord vaak voor zijn leerlingen.
Johannes 15:13-15 Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden. Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat Ik zeg. Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb.
Het is die liefde waarmee Jezus zijn leerlingen ‘vrienden’ noemde. Het is een heel andere soort ‘vriend’, dan de vriend uit Jezus’ gelijkenis over het bruiloftsfeest in het vorige artikel:
Matteüs 22:12 …en de koning vroeg hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?”
Daar gaat het om het Griekse woord ‘etaire’, wat een veel oppervlakkiger, zelfs koele, wat vormelijke betekenis heeft. Dat blijkt ook wel uit het vervolg, want deze ‘vriend’ werd even later in de buitenste duisternis gegooid. Dat overkwam ook Judas, de leerling van Jezus, de ‘vriend’ (etaire) die Hem met een kus verraadde: ‘Vriend, ben je daarvoor gekomen?’
De vrienden of de bruid van Jezus?
Veel theologen en Bijbelleraren vinden dat de mensen die Jezus ‘vrienden’ noemt, een andere groep is dan de bruid van Jezus. Velen van hen denken dat de ‘vrienden’ staan voor de gelovigen uit de Joden en dat de bruid de gemeente van gelovigen is uit de heidenen, de niet-Joden.
Daar zijn echter een heleboel vragen bij te stellen. Dat begint al gelijk bij het antwoord dat Johannes de Doper gaf. Hij noemde de volgelingen van Jezus immers de ‘bruid’ en Jezus de bruidegom. Maar die volgelingen waren toen nog allemaal Joden, die kennelijk toch de bruid vormden.
Johannes de Doper zag zichzelf als ‘vriend’ van Jezus. Tegelijk zag ook Jezus zijn volgelingen als ‘vrienden’. Kun je daarom zeggen dat ‘de vrienden’ van Jezus hetzelfde is als ‘de bruid’ van Jezus?
Jezus noemde zijn volgelingen ‘vrienden’. Maar zijn volgelingen noemden nergens in de Bijbel Jezus hun ‘vriend’. Jezus was immers veel meer dan een vriend, Jezus was hun Heer, hun Heiland. Die noem je niet zomaar je ‘vriend’. Alleen Jezus zelf had het recht om zijn volgelingen vrienden te noemen.
Bruiloftsgasten…
Net als bij ons, was er ook in Israël in Bijbelse tijden bij een bruiloft een bruid, een bruidegom en werden op die bruiloft gasten uitgenodigd, vrienden van het bruidspaar. Er was uiteraard maar 1 bruidegom en 1 bruid, maar er konden wel een heleboel familie en vrienden, ofwel bruiloftsgasten zijn.
In de vertellingen van Jezus komt de bruid vaak helemaal niet voor. Dat zagen we in de voorgaande artikelen al bij de gelijkenis van de koning en de bruiloft van zijn zoon, waarbij de genodigden niet wilden komen. Daarna werden alle mensen buiten de stad uitgenodigd op de bruiloft van de zoon. Zij die kwamen waren ‘bruiloftsgasten’. En we hebben gezien dat die ‘bruiloftsgasten’ een beeld zijn van de kerk, de gemeente van gelovige christenen.
…of toch bruid?
Matteüs, Marcus en Lucas vertellen alle 3 over een vraag aan Jezus waarom zijn leerlingen niet vasten. Jezus heeft het dan over ‘bruiloftsgasten’ en de bruidegom. Matteüs beschrijft het zo:
Matteüs 9:14-15 Daarop kwamen de leerlingen van Johannes bij Hem en vroegen: ‘Waarom vasten wij en de farizeeën wel regelmatig, en uw leerlingen niet?’ Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet treuren zolang de bruidegom bij hen is? Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, dan zullen ze vasten.
Hier vergelijkt Jezus zijn leerlingen met ‘bruiloftsgasten’ (zowel volgens de NBV21 als HSV) en zichzelf met de bruidegom. Er lijkt geen bruid bij betrokken te zijn. Maar is dat wel zo? Als je naar de Griekse grondtekst kijkt, dan staat er niet letterlijk ‘bruiloftsgasten’, maar ‘zonen van het bruidsvertrek’. De vertalers hebben die ‘zonen’ kennelijk geïnterpreteerd als ‘bruiloftsgasten’. In de oude Statenvertaling staat ‘bruiloftskinderen’.
Het bruidsvertrek is de kamer van de bruid. Kennelijk zijn de ‘zonen’ aanwezig in of horen zij bij dat bruidsvertrek. Daarmee horen ze eigenlijk bij de bruid, maken ze deel uit van de bruid. Daarmee lijkt Jezus eigenlijk te zeggen dat zijn leerlingen bij de bruid horen.
Jezus zinspeelt hier zelfs al op zijn hemelvaart, want Hij zegt immers dat Hij bij hen zal worden weggehaald. De bruiloft van Jezus met zijn bruid zal plaatsvinden in de hemel. Dat weten we uit Openbaring 19. Toch spreekt Jezus hier over leden van de bruid die niet mogen treuren, omdat Jezus dan nog bij hen is. Ook Jezus noemde zijn Joodse volgelingen kennelijk toen al de ‘bruid’.
Vrienden, bruiloftsgasten, allemaal de bruid?
Als je dit alles zo nagaat, dan lijkt het erop dat zowel de vrienden als de bruiloftsgasten of genodigden allemaal deel uitmaken van de bruid. Zij zullen allemaal als bruid in schitterende witte kleding meegaan naar de hemel, op de dag van de Opname. Daar in de hemel zal de bruiloft van het Lam, de bruiloft van Jezus plaatsvinden. Zij die de eeuwen door geloofd hebben in die Jezus, en ook zij die vandaag in Hem geloven, zullen vrienden, bruiloftsgasten en genodigden zijn op dat geweldige bruiloftsfeest in de hemel. Zij maken allemaal deel uit van die enorme gemeente van Jezus Christus die de bruid genoemd wordt. Al die mannen, vrouwen en kinderen vormen samen de bruid van Jezus Christus, die de Bruidegom zal zijn!
In het volgende artikel, deel 4 uit deze serie, gaan we kijken naar de gelijkenis van Jezus over de 5 wijze en 5 dwaze meisjes, die allemaal op weg zijn naar de bruidegom. Die vertelling zal nog weer extra licht werpen op het onderwerp van de bruiloft, de Bruidegom en de genodigden.
Op de hoogte blijven van nieuwe artikelen?
Meld je dan aan voor de nieuwsbrief!
